Redactie
mr. Folkert Jensma (hoofdredacteur)
mr. Henneke Brink
mr. Janny Dierx
dr.ir. Kim van Erp
mr. Lenka Hora Adema
dr. Petra Jonkers
mr. Aai Schaberg
dr. mr. Fred Schonewille
drs. Judith Stoop

Redactiesecretaris
Frank Veerkamp
fveerkamp@xs4all.nl

Uitgever
Sdu Uitgevers

drs. Gert Jan Schinkel
g.schinkel@sdu.nl


Nieuws


De spelmatige kant van conflicten

Geplaatst op 2014-07-10 14:09:58

Veel conflicten zijn beter te begrijpen aan de hand van de speltheorie uit de transactionele analyse. Deze theorie, ontwikkeld door psychiater/psychotherapeut dr. Eric Berne, onderzoekt spelmatige patronen in veel conflicten. In de transactionele analyse heet het een ‘Spel’, zodra een gedraging herhaaldelijk gebeurt, met een bijbedoeling, en een voorspelbare uitkomst.

Er is een verschil tussen het spelen van politieke spelletjes en het betrokken zijn bij een psychologisch spel. Bij politieke spelletjes gaat het dikwijls om het opzettelijk doorspelen van informatie via de wandelgangen of om openlijke manipulatie. Een kenmerk van een ‘psychologisch Spel’, zoals dat binnen de transactionele analyse (TA) wordt bestudeerd, is dat het onbewust wordt gespeeld.1 Politieke spelletjes vragen om ethische confrontatie, terwijl psychologische Spelen gestopt kunnen worden door de spelers zich bewust te laten worden van het, zich herhalende en ineffectieve, patroon van het spelmatige gedrag.

Hoe wordt binnen de TA aangekeken tegen conflicten met zo een spelmatig karakter? Het vermoeden bestaat dat veel conflicten verlopen langs patronen die binnen de TA onderzocht worden aan de hand van speltheorie uit de transactionele analyse.2 Na een korte introductie in de basisfilosofie achter de TA, beschrijf ik de kijk op spelmatige patronen vanuit zowel de spelformule zoals Eric Berne die voorstelde, als vanuit de door TA-theoreticus Stephen Karpman ontwikkelde dramadriehoek. Verder sta ik nadrukkelijk stil bij de zogenaamde vierde rol in de dramadriehoek, die van de door Clarkson benoemde Omstanders. Tot slot beschrijf ik een aantal ideeën om Spel te vermijden en/of te stoppen.

Transactionele analyse
Na de eerste enorme hype rond de transactionele analyse als gevolg van het succes van boeken als Games people play en het door Thomas Harris geschreven I’m OK, You’re OK (1973), ontwikkelde de TA zich tot een zeer toegankelijke theorie over de ontwikkeling van mensen en systemen en tot een uiterst praktische kijk op de mogelijkheden van groei en ontwikkeling. Thunnissen en De Graaf (2013) maken duidelijk dat de TA is gebaseerd op een humanistisch uitgangspunt. Belangrijke kenmerken binnen dit denken zijn het belang van bewustzijn, vrije wil en zelfverwerkelijking. De humanistische stroming was enerzijds een reactie op de dominantie van de psycho-analyse die de mens ziet als een door driften bepaald wezen en anderzijds een correctie op het behaviorisme dat de mens als een soort machine ziet waarin het gedrag object van studie is. De behoefte aan ontplooiing beantwoordt volgens de humanistische psychologie aan de natuur van de mens. Drie kernachtige stellingen binnen de TA-filosofie zijn dan ook:
- Ik ben OK, jij bent OK.
- Iedereen kan denken.
- Veranderen is mogelijk.

‘Ik ben OK, jij bent OK’ is een fundamentele vooronderstelling binnen de TA: elk mens heeft waarde en waardigheid. Als een kind geboren wordt heeft het de basis- of existentiële positie: ik ben OK, jij bent OK.
Levenservaringen kunnen ertoe leiden dat mensen zichzelf en de ander gaan ervaren volgens een van de andere drie levensposities: ‘Ik ben niet OK, jij bent OK’, ‘Ik ben OK, jij bent niet OK’ of ‘Ik ben niet OK, jij bent niet OK’.

Figuur 1 Basis- of existentiële posities

De meeste mensen kennen alle vier de existentiële posities en bevinden zich een groot deel van de tijd in een bepaalde voorkeurspositie. Positieve levenservaringen kunnen mensen helpen om vanuit een van de drie negatieve posities gemakkelijk weer in de ‘ik ben OK, jij bent OK’-positie te komen. Iedereen, met uitzondering van mensen met een ernstige hersenbeschadiging, heeft het vermogen om zelf na te denken. Iedereen heeft verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het eigen leven. Wat je overkomt heb je niet altijd in de hand. Hoe je er vervolgens mee omgaat wel. Dat vraagt dikwijls denkwerk waartoe iedereen zelf in staat is. De TA biedt een optimistische theorie en een op groei en ontwikkeling gerichte praktijk. Vaak nemen kinderen op basis van vroege levenservaringen ‘overlevingsbesluiten’: de best denkbare strategie om te overleven in een soms in diverse gradaties vijandige, verwaarlozende of kille wereld. Als volwassene passen zij vaak dezelfde, verouderde strategieën toe en komen daarmee in de problemen. Binnen de TA wordt ervan uitgegaan dat mensen op elk moment van hun leven de keuze hebben om overtuigingen over zichzelf, de ander en de wereld waar ze in leven te veranderen om zodoende een positieve wending aan hun bestaan te geven. Dit geldt voor mensen die wegens klachten of problemen hulp zoeken bij een psycholoog of een psychiater, maar evenzeer voor mensen die een gelukkig en vervullend leven hebben en zich verder willen ontwikkelen. Je hoeft immers niet ziek te zijn om beter te worden!

Incident of patroon?
Mensen die een Spel spelen, doen dingen als: het altijd beter weten, steeds weer zeuren, ineens uitvallen, leedvermaak hebben of op afstand commentaar leveren. Iedereen raakt wel eens betrokken in een Spel. Dat gebeurt vaak zonder het te beseffen en zonder het te willen. Soms gooit iemand een aasje uit om het Spel op de wagen te krijgen. Een serie transacties die samen een Spel vormen, start altijd met een, zoals dat in de TA heet, transactie met bijbedoeling. Je voelt – vooral door het non-verbale van de communicatie – dat er ‘spelmatigheid’ in de lucht hangt. Onder de plausibel lijkende bedoeling die men openlijk aangeeft, houdt zich een andere bedoeling schuil. ‘Zeg, wat vind jij eigenlijk van die nieuwe collega?’ kan – op een bepaalde toon uitgesproken – een uitnodiging zijn tot het Spel ‘Zullen we samen nog eens flink afgeven op onze incompetente HRM-afdeling?’ De argeloos lijkende vraag ‘Dat stukje van de directeur in het personeelsblad: dat kwam wel aan zeker?’ kan gemotiveerd zijn door de behoefte de ander (eindelijk) eens op zijn gezicht te zien gaan. Heimelijke boodschap: ‘Wat zal jij gekwetst zijn zeg, toen je dat las (ha, ha, ha).’

Als iets wat je eigenlijk niet wilt, bijvoorbeeld een conflict, één keer gebeurt, kan het een incident zijn. Als het twee keer gebeurt, is het zaak alert te raken. Als het drie keer gebeurt, gebeurt het vast ook vier, vijf, zes en meer keren. Veel conflicten tenderen ernaar zichzelf, soms eindeloos, te herhalen. Als een conflict zich meerdere keren herhaalt, valt het vrijwel zeker binnen de definitie van wat in de TA ‘Spel’ wordt genoemd. De volgende definitie geeft het meest helder aan wat daaronder wordt verstaan: een Spel is een zich herhalende serie transacties met bijbedoeling die leidt naar een voorspelbare uitkomst. Drie woorden zijn cruciaal in deze definitie: herhalend, bijbedoeling en voorspelbaar.
Als psychoanalyticus had Berne geleerd dat veel ongewenst gedrag valt in de categorie, wat Freud noemde, herhalingsdwang. Mensen zijn geneigd hun vroegste ervaringen te her-creëren, ook al zijn die ervaringen pijnlijk en schrijnend. Veel Spelen worden van generatie op generatie in de familiekring doorgegeven. Kinderen leren vaak al op jonge leeftijd welke Spelen zij geacht worden te spelen. Er is in Spel altijd sprake van ‘verborgen transacties’ waarbij dat wat verborgen blijft, wat niet openlijk wordt gecommuniceerd, de uitkomst bepaalt. Spelen bevatten altijd transacties met een verborgen bijbedoeling op psychologisch niveau. Ze eindigen op een voorspelbare manier met de ‘favoriete rotgevoelens’ van de spelers. Het woord voorspelbaar duidt aan dat de spelers – minstens twee – vaak weten waar het op uitloopt. Een Spel levert alle betrokkenen voor korte tijd veel aandacht op, maar de afloop van een Spel is altijd onbevredigend voor alle partijen: de energie lekt weg en wat overblijft is een rotgevoel.

Waarom doe je niet? Ja, maar…
Ieder Spel dat wordt gespeeld heeft unieke trekken. Jarenlange observatie en analyse heeft echter een aantal veel gespeelde Spellen aan het licht gebracht. Berne (1961) stelt dat het meest voorkomende Spel in groepen en organisaties ‘Waarom doe je niet...?’ ‘Ja, maar...’ is. Dit patroon gaf Berne het eerste inzicht in wat hij later Spel ging noemen. Het is een spel met een ongelimiteerd aantal deelnemers. Iemand gedraagt zich hulpeloos terwijl hij een beroep doet op de deskundigheid van anderen. Echter, hij wijst alle suggesties en ideeën (Waarom doe je niet..?) goed onderbouwd af (Ja, maar...). Een van de spelers presenteert een schijnbaar oplosbaar probleem en de andere spelers dragen oplossingen aan onder het motto ‘Waarom doe je niet...?’, waarop de speler antwoordt met ‘Ja, maar...’. Een geroutineerde ‘Ja, maar’-speler kan een hele groep of een heel team weerstaan tot iedereen opgeeft en de speler wint. ‘Winnen’ wil in dit geval zeggen: gelijk krijgen wat betreft het onbewuste motief. Het lijkt of degene die ‘Ja, maar’ speelt op zoek is naar een oplossing voor een probleem. Dit geldt echter alleen voor het sociale, openlijke niveau. Daaronder, op psychologisch niveau, vindt een serie transacties plaats die een herhaling is van een vroegere situatie waarin een onzeker kind tevergeefs zoekt naar geruststelling van een ouderfiguur. Uiteindelijk ‘bewijst’ de ‘geoefende’ speler dat niemand hem kan helpen: ‘Zie je wel!’ Het motto van dit Spel is dan ook: ‘De ouder (en in het hier en nu: de manager, partner, therapeut of leraar) kan mij nooit helpen.’

Klusser
Wit: ‘Mijn man staat er altijd op het reparatiewerk in huis zelf te doen. Hij doet het echter nooit helemaal goed.’
Zwart: ‘Waarom doet hij niet een doe-het-zelfcursus?’
Wit: ‘Ja, dat zou goed voor hem zijn, maar daar heeft hij echt de tijd niet voor.’
Blauw: ‘Geef hem in elk geval een set goed gereedschap voor zijn verjaardag.’
Wit: ‘Ja, maar ik weet zeker dat hij geen idee heeft hoe hij daarmee moet werken.’
Rood: ‘Waarom huur je niet een goed klusbedrijf in?!’
Wit: ‘Ja, maar weet je wel wat dat tegenwoordig kost?’
Bruin: ‘Je zult er mee moeten leven dat hij het niet perfect doet.’
Wit: ‘Ja, maar de hele boel thuis kan zomaar in elkaar storten.’ Vaak valt er dan even een stilte, waarna Groen, met een zucht, zoiets zegt als: ‘Dat heb je met mannen. Ze willen zo graag laten zien hoe goed ze het zelf wel niet kunnen.’

Uit Games people play (p. 116).

Formule
De spelformule van Eric Berne maakt de karakteristieke manier duidelijk waarop ieder Spel verloopt. De spelformule is eigenlijk de finale definitie die Berne gaf van Spel. Wie een Spel observeert ziet de volgende opeenvolging van gebeurtenissen:

De Graaf en Kunst (2010) werken een spelmatig patroon, dat de kiem bevat voor escalatie tot een groter conflict, als volgt uit. Het lokaas is de speluitnodiging van degene die de eerste zet in het Spel doet.
Voorbeeld: De teamleider zegt tegen een van zijn leraren: ‘Heb je nou weer havo 3 voordat de bel ging het lokaal uit laten gaan?’ De leraar voelt ‘op zijn klompen’ aan dat de teamleider niet uit is op het verkrijgen van nadere informatie. Er houdt zich een andere bedoeling schuil in deze transactie. De zwakke plek is dat aspect (in het doen of laten) van de ander dat hem kwetsbaar maakt voor het lokaas.
Voorbeeld: De betreffende leraar heeft grote moeite zijn klassen ‘de baas te zijn’. Vooral havo 3 valt hem zwaar. De teamleider weet ‘op welke knop hij moet drukken’ om een Spel te starten. De verwachte reactie is het proces dat zich dan ontrolt. Wat volgt lijkt zich op sociaal niveau af te spelen terwijl verborgen transacties meespelen op psychologisch niveau. Voorbeeld: De leraar zegt iets in de trant van: ‘Ik kon ze niet meer houden. Ik moest trouwens zelf ook eerder weg, want ik krijg zo de ouders van een mentor-leerling op bezoek. Ik vind het vervelend om die ouders te laten wachten.’ De teamleider zegt op zijn beurt: ‘Je weet toch wat we onlangs in het team afspraken?’ De leraar meldt als reactie weer iets ter rechtvaardiging. De teamleider herhaalt nog eens wat de afspraken waren. Zo’n ‘gesprek’ kan geruime tijd doorgaan. Ze hebben een dergelijke weinig vruchtbare discussie ook al vele malen gevoerd. Als de switch (de aap uit de mouw) komt, wisselen de spelers van positie in de dramadriehoek (zie verderop). Voorbeeld: Na verloop van tijd zegt de leraar: ‘Waarom zoek je mij eigenlijk altijd op? Het lijkt wel of je op de loer staat!’ Het heimelijke, verborgen niveau van de transacties, die samen het Spel vormen, dreigt even aan de oppervlakte te komen. De ‘aap’ zorgt voor de nodige verwarring. Meestal hapert het Spel dan kort. Voorbeeld: Het valt even stil tussen teamleider en leraar. Ze kijken elkaar kort vragend en ietwat verbouwereerd aan. Het Spel eindigt met de pay-off, een rotgevoel voor beide spelers.
Voorbeeld: De teamleider draait zich met een zucht om en loopt naar zijn kamer. De leraar haast zich geërgerd naar de spreekkamer om te zien of zijn afspraak al is gearriveerd. De vraag is of beiden, de teamleider en de leraar, werkelijk ‘naar buiten brengen wat hen van binnen beweegt’. Wat is er zo lastig om te zeggen? Wat wordt tussen hen niet besproken? Een hypothese is dat beiden het niet eenvoudig vinden te spreken over het gegeven dat de leraar het vaak zo moeilijk heeft met ‘de orde’ in zijn lessen. Ze zien er mogelijk tegenop zo’n emotioneel geladen vraagstuk samen effectief te bespreken. Samen draaien ze er het hele schooljaar al om heen. Op momenten zoals in de voornoemde scène klinkt het ongemak door in de irritatie van de teamleider en de defensieve reactie van de leraar. Dat schiet niet op...

De regels van het Spel
Zoals een teamsport alleen succesvol kan verlopen als ieder zich aan een aantal regels houdt, zo lijken ook psychologische Spelen min of meer ‘volgens het boekje’ te verlopen. James (1977) ontwikkelde een serie vragen om de regels van het Spel op het spoor te komen. De vragen focussen vooral op het voorspelbare patroon en op de negatieve uitkomst, de pay-off.
• Wat gebeurt er steeds weer?
• Hoe begint het meestal?
• Wat gebeurt er vervolgens?
• (Geheime vraag, zie onder)
• En dan?
• (Geheime vraag, zie onder)
• Hoe eindigt het?
• Hoe voel jij je uiteindelijk?
• Hoe denk je dat de ander of anderen zich voel(d)en? Geef nu de antwoorden op de ‘geheime vragen’:
• Wat was jouw geheime boodschap aan de andere persoon? Wat zeg je eigenlijk?
• Wat, denk je, is zijn geheime boodschap aan jou? Wat zegt hij eigenlijk?

De laatste twee vragen nodigen uit de verborgen laag van de transacties te onderzoeken. Wat is er zo lastig om te zeggen? Wat wordt er steeds weer ontweken in de communi- catie? Waar zou het gesprek eigenlijk over moeten gaan?

Redenen voor Spel
Spel eindigt, zoals gezegd, altijd met een ‘zie-je-wel’ dat een rotgevoel genereert, de pay-off. Als Spelen inderdaad een veel voorkomende vorm van miscommunicatie zijn, waarom zijn mensen dan geneigd zich hier keer op keer in te begeven? Een Spel spelen moet dan ook zo zijn voordelen hebben. Eric Berne zei ooit over de reden waarom mensen zich steeds weer inlaten met spelmatige patronen: ‘When intimacy threatens, you can always start a Game.’ Spel lijkt vooral gebruikt te worden om iets anders te ontwijken. Volgens De Graaf en Kunst (2005) is dé rode draad in alle mogelijke antwoorden op de vraag wat mensen vermijden die hun toevlucht nemen tot Spel: de werkelijke ontmoeting! Mensen spelen een Spel om te vermijden dat gezegd wordt wat er werkelijk aan de hand is, omdat zij er tegenop zien het gesprek aan te gaan over wat er ten diepste speelt. Ze zijn bang voor de kwetsbaarheid die bij het echte contact hoort. De vrouw (Wit) uit het voorbeeld hierboven, die zich beklaagt over de geringe doe-het-zelfvaardigheid van haar man, vindt het wellicht erg lastig om te zeggen dat ze niet meer zo gelukkig is in haar huwelijk. In plaats daarvan beklaagt ze zich, waarschijnlijk keer op keer (herhaling) en op ongeveer dezelfde wijze (patroon), over haar man. Het grote verschil tussen Spel en Ontmoeting is dat in een echte ontmoeting de communicatie op sociaal en op psychologisch niveau congruent is. Wát gezegd wordt klopt met hóé het wordt gezegd. Authentieke gevoelens en behoeftes worden gecommuniceerd met het oog op wat hier en nu aan de orde is.
Een bijkomend ‘voordeel’ voor de deelnemers aan een Spel is dat het hun beeld van de wereld herbevestigt. Terugkijkend op een Spel zeggen ze, tegen zichzelf en soms tegen anderen, zoiets als ‘Wat maar weer eens bewijst dat...’ In het voorbeeld van de klussende echtgenoot is het Groen die de pay-off verwoordt: ‘Mannen... (zucht)’. Zo zorgen ze ervoor dat de wereld om hen heen blijft passen in hun eigen vertrouwde beeld van die wereld. En als de werkelijkheid toch nog verschilt van de werkelijkheid in hun hoofd: jammer voor de werkelijkheid!

De dramadriehoek
TA-professional Stephen Karpman (1968) beschrijft een even simpel als krachtig model om Spel te analyseren. Hij legt uit dat wanneer mensen een Spel (gaan) spelen ze een van de drie rollen ‘Aanklager’, ‘Redder’ of ‘Slachtoffer’ oppakken. Figuur 2 Dramadriehoek Een collega van Karpman, Claude Steiner (1974), meent dat dit patroon zo herkenbaar is omdat vrijwel iedereen er al op jonge leeftijd kennis mee maakt. Kinderen, zo schrijft Steiner, worden al te gemakkelijk in de rol van Slachtoffer gedrukt, opdat ouders en andere opvoeders Redders en/of Aanklagers kunnen zijn. Dit vindt plaats op momenten dat ouders zich begeven op terreinen waar kinderen autonome vermogens hebben: het vermogen om lief te hebben, het vermogen om na te denken en het vermogen om te genieten. Als kinderen in staat zijn lief te hebben en daar de kans niet voor krijgen... Als kinderen in staat zijn de wereld, anderen en zichzelf te begrijpen en daar de kans niet voor krijgen... Als kinderen in staat zijn hun gevoelens volop te benutten om van het leven te genieten en daar de kans niet voor krijgen... Op die momenten worden ze in de Slachtofferpositie gedrukt door ouders en opvoeders die zich gedragen als Aanklagers – die ze afremmen in hun mogelijkheden – of als Redders – die dan doen wat ze de kinderen zojuist verhinderden te doen. Een zevenjarig kind is prima in staat – mits hij de gelegenheid krijgt dat te leren – zelf uit te bed te komen, zelf zijn tanden te poetsen, zichzelf te wassen en zelf zijn kleren aan te doen. Maar als het niet de kans krijgt die vermogens te ontdekken en te ontwikkelen wordt er aan die zich verder ontwikkelende autonomie ‘geknabbeld’. De (soms ook uitgesproken) gedachte ‘dat kan jij niet’ is een ‘Aanklacht’. Het feit dat moeder of vader het kind wekt, wast, zijn tanden poetst en aankleedt, is een ‘Redding’. Opvoeding verwordt zo tot een training in machteloosheid, krachteloosheid en hulpeloosheid. Veel ‘Slachtoffergedrag’ vindt op de een of andere manier een bron in opvoeding en onderwijs. Slachtoffers zijn gaan geloven dat zij ‘het’ echt niet kunnen. Wat niet? Geen effectieve relaties aangaan. Niet zelfstandig probleemoplossend denken. Onvermogen om te genieten van het werk dat ze dagelijks doen.

Eerste-, tweede- en derdegraads Spel
Berne beschrijft drie niveaus van spelmatig gedrag. Eerstegraads Spel wordt gespeeld in de publieke ruimte en leidt zelden tot grote verontrusting. Het levert hoogstens het nodige ongemak op. Tweedegraads Spel speelt zich meestal af ‘achter de schermen’ of in de afzondering van de privé-wereld. De pay-off is veel pijnlijker en schadelijker. Intimidatie en ander neerbuigend gedrag maken nu deel uit van het Spel. Derdegraads Spel leidt tot lichamelijke en andere zichtbare schade. Berne stelt dat een of beide Spelers van een Spel in de derde graad eindigt in de rechtszaal, het ziekenhuis, de gevangenis of het mortuarium. Derdegraads Spel raakt de betrokkenen hoe dan ook diep!

Als het Spel ‘Waarom doe je niet...?’ ‘Ja, maar...’ door twee personen gespeeld wordt, begint de ene speler als het Slacht-offer en zoekt deze een Redder. Dit kan een tijdlang complementaire transacties opleveren, waarbij de Redder allerlei voorstellen doet die het Slachtoffer geroutineerd afwijst. Tot een van de twee er genoeg van krijgt en dat is het moment van de switch waarbij de rollen veranderen. De Redder switcht naar de Aanklager: ‘Jij wilt helemaal niet geholpen worden.’ Of het Slachtoffer gaat de Redder verwijten maken: ‘Aan jou heb ik ook niets.’ In het eerste geval blijft het Slachtoffer nog steeds Slachtoffer en verandert hooguit de gevoelstoon van zielig en onderdanig naar gekleineerd en beschaamd. In het tweede geval wordt de oorspronkelijke Redder na de switch het Slachtoffer. Hoe dan ook, in de switch komt ‘de aap uit de mouw’. Het verborgen niveau van de eerdere transacties wordt duidelijk. Dat levert aanvankelijk voor alle spelers verwarring op. Na korte of langere tijd nemen de spelers echter hun oorspronkelijke positie weer in. Het Slachtoffer gaat op zoek naar een nieuwe Redder (of start een tweede ronde bij dezelfde persoon) en de Redder herpakt zich en gaat met frisse moed op zoek naar nieuwe Slachtoffers (of gaat opnieuw in op de Speluitnodiging van hetzelfde Slachtoffer).

Drama?
Scene 1
De moeder (S) met een flinke zucht tegen de mentor van haar zoon (R): ‘O, wat ben ik blij dat ik u aan de lijn heb. We zijn wan- hopig. Govert houdt voet bij stuk en wil van school. Hij wil bij een of andere hamburgertent gaan werken. Ze hebben hem daar wijs gemaakt dat hij manager kan worden. Nou ja zeg… Wij zijn uitgepraat met hem, maar hij houdt voet bij stuk. Hij praat echter altijd zo positief over u, kunt u niet eens met hem spreken?’ De mentor (R), vol energie door de positieve woorden over hem, tegen de moeder (S): ‘Wat naar voor u allemaal. Van school? Hij doet het juist prima! Ik zal hem morgen bij me roepen. Ik koppel naar u terug. Komt goed.’

Scene 2
De mentor (A) tegen Govert (S): ‘Wat hoor ik nu van je moeder? Van school? Juist nu het zo goed gaat? Ben je wel goed wijs? Hoe gaan we dat samen voorkomen, Govert? Kom op, geen onzin, man.’ Govert (S) kijkt mentor (A), licht geïntimideerd, aan en zegt dat hij er over na zal denken.

Scene 3
Govert (A) tegen zijn kornuiten (Omstanders) op het schoolplein: ‘Wat ik nou toch meemaak. Gaat die malloot van een mentor een beetje mijn moeder supporten. Mafkees!’

Scene 4
Mentor (S), na nog twee vruchteloze gesprekken met Govert, met een zucht tegen de afdelingsleider (R): ‘Ik weet het niet meer met die jongen, die Govert. Hij wil van school, doet zijn ouders enorm verdriet en wil naar niemand niet luisteren.’ Afdelingsleider (R) tegen mentor (S): ‘Wacht maar, ik zal wel eens met die knul praten...’

Scene 5
Enzovoort en zo verder.

Omstanders
De Zuid-Afrikaans-Engelse psycholoog Petruska Clarkson (1987, 1996) pleit ervoor om de theorie van de dramadriehoek en de Spelanalyse uit te breiden met de vaak onopgemerkte rol van de Omstander(s). De term ‘omstandergedrag’ ontstond ooit in New York waar een jonge vrouw werd vermoord binnen zicht- en gehoorafstand van tientallen mensen die allemaal niets deden. Een Omstander is dus iemand die zich afzijdig houdt terwijl anderen een of andere vorm van hulp nodig hebben. Omstandergedrag is herkenbaar aan de volgende kenmerken:
- Mensen zijn zich ervan bewust dat er iets aan de hand is.
- Ze nemen geen verantwoordelijkheid, noch voor het veranderen, noch voor het in stand houden van de situatie.
- Ze kunnen haarfijn uitleggen waarom ze geen keus hadden.
- Ze miskennen (dit is een onbewust proces) hun mogelijkheden om invloed uit te oefenen.

Omstanders van een Spel hanteren vaak zogenaamde Omstander-slogans om niet betrokken te raken (Clarkson, 1996). Het zijn handige drogredenen. Ze maken het mogelijk de nood-zakelijke rol niet te nemen en passief op de tribune te blijven zitten of langs de lijn te blijven staan. Omstanders maken zichzelf ermee wijs dat ze geen rol, taak en verantwoordelijkheid hebben.

Voorbeelden van Omstander-slogans
Het is mijn zaak niet!
Ik overzie het geheel niet.
Het is hun eigen schuld!
Ik bemoei me met mijn eigen zaken.
Neutraliteit is het beste hier.
De waarheid zal wel in het midden liggen.
Het is veel ingewikkelder dan het lijkt.
Ik wil mijn vingers er niet aan branden.
Ik wil geen slapende honden wakker maken.
Ik doe gewoon wat van mij gevraagd wordt.
Ik kan het verschil toch niet maken.
Ik kan het alleen vanuit mijn eigen gezichtspunt bekijken.

Clarkson roept niet op je overal maar mee te bemoeien, laat staan dat ze oproept tot ‘Redden’. Zij stelt wel vast dat je door lid te zijn van een groep al betrokken bent, of je wilt of niet. Je kunt niet níét betrokken zijn. Ook als je niets doet, oefen je invloed uit, ten goede of ten kwade. Van de tribune afkomen heeft voordelen! Op persoonlijk niveau geeft het de voldoening om opnieuw de regie te pakken en je energie te steken in het aanpakken van kwesties, in plaats van nog meer slapeloze nachten, piekerperiodes, maagzweren en hartklachten. Als de Omstanders hun gedrag en houding wijzigen en actief hun invloed aanwenden kunnen zij het systeem waarvan zij deel uitmaken, behoorlijk in beweging brengen. Wie geen verandering probeert te brengen in een probleemsituatie, zal uiteindelijk zélf door het ervaren probleem worden veranderd. Er is een definitie van geestelijke gezondheid waarin is opgenomen ‘de moed te doen wat men rechtvaardig acht, zelfs als dat ongemak en gevaar oplevert.’ Het gaat erom dat betrokkenen zich opnieuw afvragen ‘Waar was ik, wat deed ik, hoe heb ik het zover laten komen?’

Voorkomen en genezen
Het beste is Spel te vermijden. Voorkomen is beter dan... Wie echter toch in Spel belandt, kan, zodra hij zich dat bewust is, eruit stappen om de schade te beperken. Alle posities in de dramadriehoek lijken, zo stellen De Graaf & Kunst (2010), haaks te staan op de kenmerken van assertief gedrag. Assertiviteit is gebaseerd op:
- respect voor jezelf;
- respect voor de ander;
- respect voor de communicatie.

Het Slachtoffer in de dramadriehoek vertoont afwachtend (onderdanig) gedrag: weinig tot geen respect voor zichzelf. De Aanklager in de dramadriehoek vertoont agressief (aanvallend) gedrag: weinig tot geen respect voor de ander. De Redder in de dramadriehoek vertoont manipulatief (ontwijkend) gedrag: weinig tot geen respect voor de communicatie. De kans dat assertieve mensen in Spel terechtkomen is niet zo groot. Assertieve mensen zijn in staat te zeggen wat ze voelen, denken en willen op een wijze die de ander in zijn waarde laat. Met respect voor de eigen grenzen en die van de ander. Assertieve communicatie is positief, direct en verbindend. Ieder mens bezit het vermogen om assertief te reageren. Op die wijze ontstaan er altijd vele, vaak onverwachte, opties om ‘er samen uit te komen’. Terugkijkend naar de voorbeelden in dit artikel komen de volgende ideeën voor Spelvrije communicatie bij me op. Voegt u er vooral de uwe aan toe. In plaats van ‘Aanklagen’ en zich tegenover haar vriendinnen te beklagen over haar man die het reparatiewerk aan het huis steeds weer verprutst, kan de vrouw eens overwegen met haar man in gesprek te gaan over de staat van hun huwelijk of met een goede vriendin eens te onderzoeken hoe ze zich voelt in de relatie met haar man. De vriendinnen hadden, in plaats van zich te laten verleiden tot dit Spel, ook oprecht kunnen zeggen ‘Wat naar voor je allemaal!’, gevolgd door een vraag als ‘Wat kunnen wij voor je doen?’ Het is dan wel oppassen geblazen dat de vrouw niet alsnog de Slachtofferrol oppakt.

De teamleider en de leraar kunnen in plaats van keer op keer vanuit de rol van Aanklager en Slachtoffer te vervallen in het uiten van wederzijdse irritaties, eens rustig de tijd nemen om samen te onderzoeken waarom ze elkaar keer op keer ontwijken rond de lastige kwestie van ‘het orde houden’. Een oprechte vraag stellen maakt de kans op een werkelijke ontmoeting vaak groter.

De moeder van Govert kan, in plaats van steeds weer in haar angst en bezorgdheid te schieten, een gesprek aanknopen met haar zoon over wat hem werkelijk beweegt. Zo’n gesprek, gevoerd vanuit werkelijke interesse en met voldoende ruimte voor gevoelens en behoeften van beiden, maakt de kans groot dat nieuwe opties verkend kunnen worden. De mentor had, in plaats van direct in de doe-stand te schieten, eerst eens kunnen luisteren en vragen kunnen stellen. ‘Waar maakt u zich vooral zorgen over?’ Dat had een bijzonder gesprek kunnen opleveren. Een afsluiting als ‘Als u nog steeds wilt dat ik met hem praat, vraagt u hem dan morgen even naar mij toe te komen?’ had ‘het probleem’ tenminste gelaten waar het hoort.

Weiger de rol van Slachtoffer, Redder, Aanklager en Omstander. Door in het midden van de dramadriehoek te blijven staan, haal je de angel uit een Speluitnodiging. Door in het midden te blijven staan, kun je gebruikmaken van elementen uit alle drie hoeken. In plaats van te gaan Redden kun je je hulp aanbieden. Gebruik je eigen gedachten, gevoelens en gedragingen en niet die van iemand anders!
- In plaats van het hulpeloze Slachtoffer te worden kun je zeggen wat je nodig hebt.
- Als je iets wilt, vraag er dan om en verwacht ook van anderen dat zij vragen wat ze nodig hebben.
- In plaats van Aanklagen kun je een assertieve reactie geven (zie hiervoor). Maak je behoeftes op een gezonde manier duidelijk.

Als mensen elkaar werkelijk (durven!) verstaan, wordt de kans dat ze ‘er samen uitkomen’ flink groter.

Conclusies
Van Poelje (2008) zet bovenaan een lijstje ideeën om Spel te vermijden: ‘De beste manier om Spel te voorkomen en uit Spel te komen, is je eigen Spel doorgronden.’ Zelf hanteer ik drie criteria om mijn leven en werken zo Spel-vrij mogelijk te houden. In die drie ervaringen zit de essentie van wat in TA Spel heet vervat.
1 Ik weet dat als ik keer op keer geen zin heb in een bepaald klantcontact of in een bepaald contact in de privésfeer, ik voor 99% zeker in een Spel ben beland.
2 Ik weet dat als iets in mijn werk of iets uit mijn privéleven me veel meer bezighoudt dan me lief is – laat staan dat het me uit mijn slaap houdt – ik voor 99% zeker in een Spel ben gestapt.
3 Ik weet dat als ik na afloop van een werkdag of een ‘gezellig’ avondje met vrienden, me regelmatig ontevreden voel, ik voor 99% zeker meegegaan ben in een Spel. Uiteindelijk is het dan de volgende vraag die me helpt om het Spel te stoppen en om meer betekenisvolle relaties aan te gaan: ‘Wat ging ik uit de weg? Wat heb ik niet gezegd of gedaan dat eigenlijk gezegd en gedaan moest worden? Waar zag ik tegenop?’ Een antwoord op die vraag, helpt me altijd verder. Mensen spelen een Spel immers uit angst voor de werkelijke ontmoeting.

Noten
1 Binnen de transactionele analyse wordt Spel met een hoofdletter geschreven om het goed te onderscheiden van alledaags spel zoals dat door kinderen (en volwassenen) gespeeld wordt om zich te vermaken.
2 TA-speltheorie is wat anders dan de in de wiskunde ontdekte en later in andere wetenschappen toegepaste speltheorie waarin het nemen van beslissingen centraal staat.
3 Helaas is het boek Games people play destijds in een Nederlandse vertaling uitgegeven onder de goed bedoelde maar de essentie missende titel Mens erger je niet (Amsterdam: Bert Bakker 1974).

Literatuur
- Allen, J.R. (2004). New Introduction, As if Suddenly a Door. In: E. Berne, Games People Play. The Basic Handbook of Transactional Analysis. New York: The Random House Publishing Group.
- Berne, E. (1964). Games People Play. The Psychology of Human Relationships. New York: Grove Press.
- Clarkson, P. (1987). The Bystander Role. Transactional Analysis Journal, 17, 3, p. 82-87.
- Clarkson, P. (1996). The Bystander, an End to Innocence in Human Relationships. London: Whurr Publishers.
- De Graaf, A. & Kunst, K. (2010). Duurzaam leidinggeven, aan energieke medewerkers. Amsterdam: Uitgeverij SWP.
- De Graaf, A. & Levy, J. (2008). Klimaatverandering in organisaties. Leiderschap maakt het verschil. Amsterdam: Uitgeverij SWP.
- Harris, Th. (1973). Ik ben OK, jij bent OK. Hoe wij kunnen leven en laten leven. Baarn: Ambo.
- James, J. (1977). The Game Plan. In: M. James, Techniques in Transactional Analysis (p. 73). Menlo Park: Addison-Wesley Publishing.
- Steiner, C. (1974). Scripts People Live. Transactional Analysis of Life Scripts. New York: Grove Press.
- Thunnissen, M. & De Graaf, A. (red.) (2013). Leerboek Transactionele Analyse. Utrecht: Uitgeverij De Tijdstroom.

Drs. Anne de Graaf is internationaal erkend Teacher en Supervisor in de Transactionele Analyse (TSTA) op het gebied van management en organisatieontwikkeling. Hij is (mede)eigenaar van en docent/supervisor aan de TA-academie (www.ta-academie.nl). Samen met Klaas Kunst schreef hij het TA-boek over leiderschap Einstein en de kunst van het zeilen (2005). Samen met Moniek Thunnissen verzorgde hij de redactie van het TA- overzichtswerk Leerboek Transactionele Analyse (2013).


Download pdf

« vorige pagina